Sla navigatie over
www.stropersbos.be
  Home  
     
  Life Stropers  
     
  Overzicht werken  
     
  Nieuws  
     
  Feestelijk startmoment  
     
  Stand van zaken werken  
     
  Beheerplan  
     
  Stropers in beeld  
     
  Contacteer ons  
     
  Links  
     
  FAQ  
     
U bent hier: www.stropersbos.be FAQ Inrichting en beheer

Inrichting en beheer

Waarom exoten verwijderen?

Inheemse boom - en struiksoorten vormen de basis van een natuurlijk bos. Een bos op basis van inheemse boomsoorten (vb. berk, zomereik, wilde lijsterbes, sporkehout) heeft een hogere natuurwaarde, is beter aangepast aan de standplaats en bevat meer planten- en dierensoorten. Dit betekent niet dat alle niet-inheemse of streekvreemde soorten zullen verwijderd worden. Wel worden ‘agressieve’ soorten die de vestiging van inheemse soorten op een grotere oppervlakte in de weg staan, stelselmatig gekapt. Tot deze agressieve soorten behoren oa. de Amerikaanse vogelkers en de Japanse duizendknoop.

Waarom open plekken creëren?

Het creëren van open plekken verhoogt de biodiversiteit en de belevingswaarde van een bos. Op open plekken kan het licht en de warmte van de zonnestralen tot op de bodem dringen. Dit is van belang voor vele plantensoorten en bijhorende dieren, die afhankelijk zijn van licht en warmte. Geleidelijke overgangen van structuren in een bos zijn ook zeer belangrijk. Op de overgang van bos naar open gebied, de bosrand, vestigen zich heel wat plant- en diersoorten.

Waarom heideontwikkeling?

Vroeger was er zeer veel heide in het gebied. Vanaf de tweede helft van de 18de eeuw verdwenen de heidegebieden en werden ze omgevormd naar percelen voor landbouw of bosbouw. Heiderelicten zijn nog steeds terug te vinden in het gebied, voornamelijk op plaatsen waar nog voldoende licht kan doordringen. Het herstellen van de heide leidt tot een verhoging van de natuurwaarde, een verhoging van de belevingswaarde voor de recreant en een verhoging van de infiltratie van water in de bodem. Heide moet beheerd worden zodat er geen omvorming naar bos ontstaat.

Waarom geleidelijke omvorming van naaldbos naar loofbos?

De naaldhoutaanplanten in het gebied vormen vaak homogene blokken (gelijkjarig en gelijksoortig). In de meeste naaldbossen is weinig structuur (struiklaag en kruidlaag) aanwezig, inheemse soorten ontbreken soms volledig. Er is vaak weinig ondergroei omdat de aanplanten weinig licht doorlaten. In naaldbossen is verzuring van de bodem een belangrijke bedreiging. De naalden zijn moeilijk verteerbaar en de voedingsstoffen komen moeilijk vrij. Het strooisel van gemengd loofbos wordt sneller afgebroken dan dat van naaldbomen. Hierdoor zorgt een omvorming tot loofbos voor het tegengaan van verzuring van de bosbodem. Daarnaast zorgt de omvorming van naald- naar loofbos voor een hogere soortendiversiteit en een gevarieerde bosstructuur.
Bossen met veel afwisseling zijn ook aangenamer om in te wandelen, fietsen, …

Waarom dood hout in het bos?

Dode bomen, takken en strooisel dienen in het bos te blijven liggen. Dit houdt de natuurlijke balans in evenwicht omdat de voedingsstoffen terug in de bodem terecht komen. Het dode materiaal vormt tevens een belangrijke voedingsbron en schuilplaats voor tal van insecten en andere dieren.

En wat na ‘Life’?

Eén van de hoofddoelstellingen van dit LIFE-project is het grootschalig herstellen en duurzaam beheren van de doelhabitats en doelsoorten waarvoor Stropersbos als habitatrichtlijngebied aangewezen is.
Om de perspectieven van de doelhabitats en doelsoorten op lange termijn - dus na beëindiging van het LIFE-project – beter te belichten zal de projectcoördinator in samenwerking met de vrijwillige medewerkers, de partners en andere belangrijke actoren een ‘after LIFE conservation plan’ opstellen. Dit plan zal een beschrijving geven enerzijds hoe de acties in het LIFE-project zullen worden gecontinueerd in de jaren na het LIFE-project, anderzijds hoe het beheer van de doelhabitats en doelsoorten op lange termijn gerealiseerd zal worden (door wie, wanneer en met welke financieringsbron). Het opstellen van het geïntegreerd bos- en natuurbeheersplan op korte termijn zal hier een belangrijke bijdrage leveren voor het opstellen en uitvoeren van een duurzaam beheer van de doelhabitats en doelsoorten door diverse partners (ANB, Natuurpunt).
Het ‘after LIFE conservation plan’ geeft dus een overzicht van de acties die na het LIFE-project daadwerkelijk ondernomen zullen worden voor de doelhabitats en doelsoorten.

Monitoring, een noodzaak?

De monitoring in het kader van LIFE omvat in hoofdzaak het opvolgen van de uitvoeringsmaatregelen binnen het natuurinrichtingsproject die betrekking hebben op de habitats. De natuurinrichtingsmaatregelen die dienen te worden opgevolgd, hebben betrekking op de hoofddoelstellingen binnen het habitatrichtlijngebied. Monitoring is noodzakelijk om een efficiënte evaluatie van de resultaten van de ondernomen acties t.a.v. het herstel van de doelhabitats en –soorten mogelijk te maken. Het is een belangrijke en zeer interessante informatiebron voor o.m. de evaluatie van het LIFE-project, in het kader van netwerking (uitwisselen van ervaringen met andere terreinbeheerders in Europa) en om toekomstige projecten/acties in het gebied of voor gelijkaardige habitats/soorten verder te onderbouwen.