Sla navigatie over
www.stropersbos.be
  Home  
     
  Life Stropers  
     
  Overzicht werken  
     
  Nieuws  
     
  Feestelijk startmoment  
     
  Stand van zaken werken  
     
  Beheerplan  
     
  Stropers in beeld  
     
  Contacteer ons  
     
  Links  
     
  FAQ  
     
U bent hier: www.stropersbos.be Nieuws Overzicht Belevenissen in de Stroopers 1936-1945

Belevenissen in de Stroopers 1936-1945

Toen wij met onze verhuiswagen naar de Stroopers vertrokken, vroeg mijn moeder:”Wij gaan dat bos toch wel vinden zeker en vanavond aankomen?” Mijn vader stelde haar gerust, noemde enkele steden die wij moesten passeren, de grote baan naar Hulst en de straat met vooraan een heel dikke beuk, daar is het: de Koestraat.
De Koestraat was geen straat maar een dichtgegroeide dreef met overhangende takken, veel distels en netels, en vooral diepe kuilen. De bestuurder van de wagen kon er niet mee lachen. Hij ging die rit zijn hele leven niet vergeten, zei hij.

Het jachtwachtershuis was ook niet het optrekje om over naar huis te schrijven. Geen likje verf te zien op ramen en deuren, een half afgebroken schouw, kleine bijgebouwtjes met scheefhangende deuren, en waarom sommige luiken gesloten waren? Wel, dat had ook zijn reden, het glas was stuk geslagen. Bij het openen van de achterdeur ritselden de ratten langs alle kanten weg. En dan die geur! Om van te walgen, echt niet uit te houden.
Wat wij ook niet hadden verwacht: die kijklustigen die ons stonden op te wachten. Sommige onder hen hadden binnenpretjes en giechelden onder mekaar. Behalve één persoon, die vloekte er maar op los en riep: “ik zal jullie wel vinden”. Hij was de vorige bewoner van het jachtwachtershuis, dhr. Stien Gijsels.
Om ons, drie kleine kinderen van die herrie weg te houden, mochten wij in de chauffeurscabine zitten, terwijl de wagen werd leeggehaald. Met een grote zak Knik-Knakjes lukte dat wonderwel.

Alle meubels en dozen gingen de schuur in , wat niet zo een goed idee was, want ‘s morgens was er al aan de dozen geknabbeld. Om de walmen uit het huis te krijgen, gingen alle deuren en vensters open, met het oog om toch ’s nachts binnen te slapen. Het was paljas par terre. Bedden in mekaar zetten was niet aan de orde, daar het hele gebouw moest gerenoveerd worden. Dat liet niet lang op zich wachten. De tweede dag na onze aankomst kwamen drie mannen met een grote wagen en alle benodigdheden aangereden. Afbreken en metselen alsook bepleisteren. Eén jaar lang, één jaar, niet langer, was de afspraak.

Onze eerste nacht in dat vieze huis was zeer rumoerig. Wij hoorden de ratten boven rond koersen, of deden ze aan ballet? En zelfs piepen, maar dat piepen “was van de muizen” zei mijn grootmoeder, die bij ons inwoonde. Zij moest mij de hele nacht omarmen, zo bang was ik. De heer Stien Gijsels ging ons vinden had hij gezegd bij onze aankomst en waarlijk, hij vond ons. ’s Nachts kwam hij langs, bonkte op de deuren en luiken en rammelde aan de deurklinken. Na vier nachten was mijn vaders geduld op, sloop naar buiten met zijn geweer, en schoot in de lucht. Een harde knal weerklonk, maar het hielp. Dat ventje dat ons pestte tot in de overtreffende trap, liet ons met rust.

De grootste zorg van mijn moeder was een school vinden, een bakker en een kruidenier. Dat laatste was geen probleem, bij de kruidenier kon je ook brood kopen, een meevaller dus.
Lisette Braem op de tromp, die tegenover de winkelier woonde, ging naar school in de Hellestraat in Stekene hoorde mijn moeder. Dat was een richtingaanwijzer. Dezelfde dag werd ik ingeschreven bij de zusters van de meisjesschool, mijn broer in de jongensschool. Tot het achtste studiejaar zat ik met Lisette in dezelfde klas. In dat mooie kerkje in de Hellestraat deden wij onze eerst communie, onze plechtige communie op 24 maart 1942.
Pietje Dekkers kwam zich aanbieden, hij was aangeworven om te helpen in de bossen, en was zo getuige van moeders val in de dreef.
Zij was met haar fiets in een greppel gereden, die je niet kon zien door het hoge gras. Dit was de aanzet en begin van opruiming in de Stroopers. Een goed berijdbaar fietspad, een brede weg voor paard en kar, alsook voor auto’s was het resultaat. De Koestraat was weer een straat, een openbare straat zoals op de stafkaart is aangegeven. Mijn moeder en grootmoeder begonnen met het verwijderen van het behang in de woonkamer. Zij maakten niet veel vooruitgang, zij vonden de ene laag papier na de andere, elf keer een ander motiefje, wat betekent dat er elf keer werd over mekaar geplakt. Doch wat ook uitzonderlijk was, de muffe geur verdween met het vuile papier. “Oef”.
De zolder was een grote open ruimte. Vader timmerde houten wanden en scheidde zo 3 grote kamers, plus een speelkamer met grote kast voor ons speelgoed.
Tijdens een warme zomer, zonder koele ruimte, viel er niets te bewaren. Dus de kelder kwam aan de beurt, wat niet zo simpel was. Toen wij met ma van de zondagmis thuis kwamen, lag er aan de achterdeur een grote hoop vuilnis, lege blikjes, flessen , planken, kapotte en roestige emmers, papier en veel draad, alweer een vieze geur was ons deel.
Pietje zei: “Morgen kom ik de kelder schuren, wees gerust”. Hij goot nog rap een paar emmers water over de trap en de vloer. “Daar zie, morgen is alles los geweekt” Met veel bleekwater en soda werden de trap en de vloer geschrobd. Na het opdrogen was moeder niet gehaast er eten in te bergen. “Ik riek nog altijd iets” zei ze. Dus alles bleef in de kast, met als gevolg zure melk en gesmolten boter.
Tot wij Henri Drumont leerden kennen. Henri zou iemand aanspreken om dat euvel op te lossen. Een Hollander kwam langs, dook de kelder in en zei daarna:”ontsmetten hé mevrouwtje, ontsmetten is de oplossing” Met zijn spuitvat ging hij de trap af en sloot de deur. Toen hij terug boven kwam:”Kijk nou mevrouwtje, klaar is kees. U heeft gelijk hoor! Met een vieze kelder doe je niks, het is echt mieren strijken, dan sta je voor gek.” “Grappig is hij wel die vent” meende mijn moeder, “maar zijn rekening niet.

Het bos is in de eerste plaats een belangrijke leverancier van grondstoffen. Op droge gronden werden dennen geplant. Naaldbomen (Epicea) werden om de 40 à 50 jaar gekapt of gezaagd. Bij grote bestellingen door de dijkbouwers, mijnindustrie of papierindustrie, bijwijlen ook het leger, kon je met het permanente bosinventaris, door mijn vader opgesteld, zien welk bos daarvoor in aanmerking kwam. De ontginning (kappen en uitslijpen) vroeg veel tijd, vooral het pellen, als dat door de koper werd gevraagd. Het uitslepen nam Henri Drumont voor zijn rekening, kwam met zijn span en dissel voor het zware werk en stapelde de dennen tot zeven lagen op elkaar aan de rand van het bos of in de dreef. Henri Drumont was ook kolenhandelaar en woonde op de Klinge in de Statiestraat. Zijn drie dochters werden mijn vriendinnen. Met Maria hadden wij de meest innige band. Annie de meest sportieve speelde alle spelletjes mee en was niet bang voor een gevaarlijk spelletje paal draaien; dat deden wij meestal samen, doch zij tot ze er draaierig van was. Maria was daar niet voor te vinden, en Suzanne nog te jong? Toen Annie mij eens zag breien wilde ze dat ook doen, met haar breitas aan de fiets kwam ze dan aangereden. Op een dag was er 1 breinaald uit haar tas gewipt, maar op de terugweg naar huis vond ze hem terug. De priem was in de grond geprikt met een briefje: “Gij zijt hem kwijt, maar ik heb hem gevonden” stond er opgeschreven. Wie de vinder was hebben wij nooit geweten.
De kameraadjes van mijn broer Jérôme waren schooljongens van zijn klas. Sooike Verlinden en Gustaaf Billiet. Sooike was een mollig ventje, heel voorzichtig, maar maakte zich niet graag vuil. Als dat gebeurde ging hij met een pruillip naar huis.
Gustaaf was van ander hout gesneden en kon tegen alles. Gescheurde broek, gekwetste benen en handen. Hij maakte van dat alles geen punt. De twee vrienden waren in de bossen niet weg te jagen. Zij zochten en vonden er alles, zoals wespennesten. Mijn vader heeft zo elf wespenfamilies verdelgd, die de jongens hadden gevonden. Maar hun onderzoek ging meestal naar vogelnestjes in bomen en struiken. De vogelverblijfjes werden heel voorzichtig gekeurd. Zijn er al eitjes? Hoeveel? Hebben ze stipjes? Welke kleur? Aan deze herkenningstekens kenden ze de bewoners. Was er twijfel dan namen ze het boek ornithologie. De nesten van grote vogels bevonden zich meestal in hoge bomen en dan was het klimmen, met een touw ging dat opperbest. Lus rond hun voeten en dan omhoog tot bij het nest. Naar beneden zakken was een ander paar mouwen, kousen kapot, broek of vest zoniet de blote benen geschramd, zoals bij mij. Meestal stuurden de kwajongens mij de dennen in, de ruwe schors kwetste mijn huid. Als ik daarvan viel, pijn had en hun de schuld gaf, werd ik naar huis gestuurd. Met meisjes altijd last was het dan…

Op zekere dag deden ze de ontdekking van hun leven. In de kruisdreef iets voorbij het eerste kruis hadden ze geplets gehoord in de sloot. Wat kon dat zijn? Er lagen een tiental dikke snoeken wild door mekaar te zwemmen. Ze waren blij verrast, liepen snel naar huis om hun evangelie te verkondigen. Maar wat de rakkers vertelden, scheen voor mijn vader geen nieuws. “O ja, die vissen! Wel, jullie mogen ze vangen, maar nog een week wachten. ’t Is nu paaitijd. Paaitijd? Wat is dat pa? Voor die vraag had mijn vader geen oren. Sexuele voorlichting was in die tijd niet aan de orde.
Op de dag van de visvangst doken Gustaaf en Jérôme de gracht in, op blote voeten, bloot bovenlijf en in witte onderbroekjes. Eerst een dam bouwen, dan water overscheppen, zo kwam de snoek spartelend boven te liggen. Ik kreeg de opdracht de mand op de rand van de sloot te zetten en ze goed vast te houden. De loze vissers kwakten de vis in de mand die al vlug overhelde. Ik kon de vismand niet meer houden maar liet niet los en viel met de vangst het water in. De meest gelukkigen waren de waterbewoners, ik in mindere mate. Na een paar grote vloeken, dat konden ze toen al, begonnen de kerels aan de visserij.

De Stroopers waren sterk verwaarloosd. De meeste paden overgroeid, alles wat er niet hoorde stond er welig te tieren. Een braamstruik kan nuttig zijn, maar de woekerplant groeide gelijk lianen in bomen en struiken en ontnamen licht en zon aan het woud.
De opdracht aan mijn vader was het ganse gebied te ruimen waar nodig, aan bosbouw te doen, en zorgen voor wild, om dan in het verschiet jachtpartijen te houden. Jachtwachters gaan op in hun passie en willen daarbij hun rol vervullen als behoeders van een goed evenwicht tussen bos en wildbestand. De Stroopers leenden zich goed voor deze taak, de uitzonderlijke ruimte te verbeteren, om zo een hoogwaardige omgeving door te geven, van generatie tot generatie.
Met de kracht van de regelmaat en goede werklui, zag men na drie jaar het bos veranderd. De geruimde waterlopen zorgden voor afwatering en drainering, nodig voor bepaalde houtsoorten. De aanplantingen met prioriteit van dennen, moesten in 51 singels worden aangepast, ieder perceel had een nummer, sommige een naam.
De hele zomer tot diep in het najaar werd er jacht gemaakt op ratten, roofvogels, eksters, kraaien en muishondjes en ook fissen, een fretachtige rover van jong wild en katten.
Als ik school liep, kreeg ik dikwijls en zwaar pak mee. De pastoor die daar diende was verzot op kattenvlees. Iedere poes die gevangen werd peuzelde onze eerwaarde op. Van zijn meid kreeg ik dan een prentje met een spreuk. Mijd stelen en bedriegen, ook achterklap en liegen. Wees kuis van gemoed en begeer niemands goed. “Zo moet je ook leven” zei ze, “dan kom je in de hemel.
De kinderen van een katholieke school moesten tijdens de vasten naar de vespers gaan. Gustaaf en Jérôme maakten daar een uitstapje van. Zo gingen zij iedere week naar een andere kerk in de streek. Zo verging de saaiheid van de vastentijd aan hen voorbij. Bij hun thuiskomst vertelden ze alles in geuren en kleuren. Wat ze hadden meegemaakt en gezien. Als de pastoor aan de sloebers niet aanstond, moest de man het ontgelden, of was het fantasie.
De jongens waren niet verslaafd aan kicks, maar wel altijd op zoek naar avontuur. Toen een echte spreeuwenplaag was waargenomen, en die lieve vogeltjes de boeren hun graanvelden plunderden, hadden ze weer iets omhanden. Er werd een dubbel slagnet aangeschaft; ze lokten die schreeuwende bendes met allerlei granen en zaden, en stelden zich dan verstopt op. De vangst was rijkelijk. Zo werd die krijsende bende uitgedund, totdat de vogels het doorhadden en zich niet meer lieten vangen.

Het jachtwachtershuis miste veel comfort, in het bijzonder elektriciteit. Dat zou veranderen. Mijn vader maakte een generator onder de vorm van een molen. De molen werd op een hoge driepikkel geplaatst en voorzien van een tegengewicht. Met de hulp van wind kregen wij elektriciteit die werd opgeslagen in batterijen op de zolder. Hoe meer het waaide, hoe meer elektriciteit wij hadden. Zelfs onze radio die mijn vader in mekaar had geknutseld, speelde er op. En gratis!

Een grote jachtpartij geven hing af van het moment en mocht niet uitdraaien op een ontgoocheling. In 1935-1936 was er zeer weinig wild. Onze heer voorganger stroopte misschien zelf of liet stropen. Daarom was konijnen en fazanten kweken aangewezen. De andere bosbewoners zorgden voor zichzelf. Tijdens de jacht mocht er nooit op jong wild geschoten worden, want die moeten weer voor nageslacht zorgen. Voor november werd er gejaagd op mannelijke eenden, die doen aan overspel, incest en pikken hun eigen kuikens dood. Dat doet de populatie geen goed, zodat het aantal niet kan aangroeien en de poelier zijn gevogelte niet had voor het kerst- en nieuwjaarsmenu. De koekoeken zijn niet de pareltjes van het bos. Zij kondigen wel de lente aan, maar blijven parasietvogels. Watersnippen zijn zeer gegeerd door jagers maar moeilijk te schieten, dat waterliefhebbertje was samen met de reiger onze enige steltenlopers in de Stroopers.

De jaarlijkse omgang naar de kapel van OLV van Loreta in de bossen, was bijzonder. Altijd een grote volkstoeloop uit de streek. Dit had altijd op dezelfde dag in het jaar plaats. De zwarte Lieve Vrouw uit Italië werd nagemaakt voor het boskapelletje. Er werd voor allerlei zieken en ziektes om bijstand gevraagd. Op die speciale aanbiddingsdag gaf Mijnheer pastoor ook een preek die kon tellen. Met veel devotie werd er naar hem geluisterd, maar o wee! De pastoor stond nog maar op zijn verhoogje, of we hoorden in de verte donderen. Na een paar minuten kregen wij een fikse regenvlaag. Het deerde de pastoor niet en hij predikte voort. Opeens een harde donderslag. Hij zei: “Hebt ge dat gehoord, dat is het bewijs dat God zich over ons ontfermt.”Die uitleg hield mij nogal bezig. Op de terugweg naar huis vroeg ik aan mijn moeder: “als God zich over ons ontfermt, waarom zijn wij hier dan allemaal kletsnat ?” Zij was verontwaardigd, wilde daar niets meer over horen en noemde mij een geus.

Een huis moet natuurlijk geen museum zijn, niet binnen, ook niet buiten. Doch na een jaar mocht het jachtwachtershuis, gebouwd in 1870, gezien worden, en getuigde van veel zorg. De vensterbanken werden rijkelijk voorzien van geraniums die welig bloeiden in de bakken.
Verwonderen deed het ons niet meer. Als Jérôme en Gustaaf iets in het schild voerden, dan zag je dat. Op een dag werd er verzameling geblazen door die twee. Als onze pa de toelating geeft zouden we samen de linie leeg vissen, was hun uitleg. Annie Drumont en ik, wij stonden klaar om in nederigheid en bescheidenheid, met dankbaarheid om te mogen helpen, de jongens een handje toe te steken. Tussen de soep en de patatten vroegen wij aan pa: “ Zou er in de linie paling zitten, zo ja mogen we die vangen?” Eerst deed hij gewichtig en afwijzend. “Die grote plas was geen beekje, veel te diep, een dikke laag modder, jullie gaan verzinken!”.

Zijn betoog had op ons niet de minste indruk, dat voelde hij. Wij wilden gaan hozen. Jérôme begon met een ongeëvenaard machogedrag uit te leggen hoe wij er klaar voor waren, noemde de plaats waar de dam zou komen, en etaleerde rijkelijk wie wat zou doen. Door deze doelgerichte uitleg ging pa door de knieën. Sinds onze eerste visserij in de kruisdreef hadden wij meer kwaliteit en ervaring, zodat wij moedig aan het waterwerk begonnen. Ik kreeg al rap een spade in de handen geduwd om de put te graven voor de paling. Wij gleden alle vier de linie in, bouwden over de hele breedte een dam en dan kon het hozen beginnen. De vissen die kwamen boven te liggen werden gevangen met een schepnet en gingen de mand in. De palingen die werden gevangen met de emmers, kronkelden er zich meermaals terug uit en vooraleer ze in de put terecht kwamen, door de losse aarde, werden ze kalmer. Niet zo helemaal gerust kwamen ma en pa ook eens kijken, ook in de mand en de put. “Zoveel vissen wie had dat gedacht?” Wij natuurlijk! Ma Marie en Pa Richard stonden altijd met wijze raad klaar. “De dam afbreken en dichten. Eens thuis werd de vis verdeeld, wat teveel was gingen de jongens versjacheren in de buurt voor zakgeld. En de meisjes? Wel die waren bedankt!

Een vos verliest zijn haren, maar niet zijn streken. Wel een tikkeltje vervelend als je zo een broer hebt die voor een pesterijtje niet verveeld zit. Wat met het St-Nikolaasfeest een gelukkig moment moest zijn, werd telkens een tijd van teleurstelling. Wat ik zoal vroeg aan de heilige man? Jaarlijks een pop. Waarom jaarlijks? Omdat ik dat lieve ding maar 1 dag in mijn bezit had. Telkens werd ze door Jérômeken de kop ingeslagen. De rakker wachtte altijd het goede moment af, want nooit had iemand hem op die laffe daad betrapt. Hij wist zelfs van geen pop, had er ook geen gezien. Alhoewel hij ze op St-Nikolaasdag uitgebreid keurde. Tot het jaar da mij gezegd werd dat ik te groot was om nog met oppen te spelen. Dat zou dan de laatste zijn die ik ging krijgen Gelukkig werd ik zied. Windpokken was e miserie, doch voor mij een geluk met een ongeluk. De laatste op zou met mij door het leven gaan en de Strooper’s dreef bewandelen. Ik liet ze niet onbewaakt, en ’s avonds ging ze met mij slapen. Met windpokken kan je gerust een week ziek zijn, maar de schoolplicht stelt haar wetten. De thuiskomst van mijn eerste schooldag was verpletterend mijn poppemie was naar dromenland, de strijkplank was de schuldige, ze stond altijd beneden en nu was ze in haar eentje naar boven gesukkeld en op de pop gevallen. Mijn ma wist wel beter, broerlief kreeg enkele schoppen onder de broek, en moest onmiddellijk zijn spaarpot voor mij leegmaken. Dat gebeurde met heel veel tranen, tranen in macholand.

De Stroopers is ongeveer 250 Ha groot, was eigendom van de familie Robert Vindervogel te Waregem, die ook eigenaar waren van de brouwerij Roman. Na het overlijden van Mijnheer Robert ging het Stroopersgebied over op zijn twee zonen.
Ik kan echt nog kinderlijk blij zijn als ik aan die tijd terugdenk. In de Stroopers was het zalig leven als kind, altijd vrij, nergens gevaar, dagelijks een injectie gezonde lucht, ’s avonds op wandel genieten van telkens weer een ander concerto. De wielewaal die boven de vagen stijgend God aanbad, maar al vloekend neder daalde. De duizenden krekels die zich door kleine kinderhandjes niet lieten vangen. De vele vlinders in alle kleuren met veelzeggende namen. Ze waren er allemaal. En waren er ook muggen? Natuurlijk, héél héél veel zelfs!
De Stroopers’ vrienden zijn nog altijd vrienden, allemaal gehuwd en uitgezwaaid. Ze ontmoeten mekaar meerdere keren in het jaar, delen alle lief en leed en staan ook steeds voor elkaar paraat. Of hoe een bos ook een mensenleven kan beïnvloeden…

Simonne Begyn
Pastoriestraat 28
1731 Relegem
02/460.12.41